Belastingplan 2020: 6. Auto en mobiliteit

18-09-2019

Bijtelling emissievrije auto’s

In het Klimaatakkoord is een maatregel opgenomen om de bijtelling voor het privégebruik van een elektrische auto van de zaak te verhogen. Per 1 januari 2020 stijgt de fiscale bijtelling voor elektrische auto’s naar 8% (was 4%) over de cataloguswaarde tot € 45.000 (was € 50.000). Daarboven geldt de gewone bijtelling van 22%. In 2021 bedraagt de bijtelling 12% over de eerste € 40.000. De gewone bijtelling blijft 22% bedragen. In de jaren na 2021 stijgt de bijtelling over de eerste € 40.000 totdat vanaf 2026 geen verschil meer wordt gemaakt tussen elektrische en gewone auto’s van de zaak.

Verlenging vrijstelling BPM en MRB elektrische auto’s

Tot 1 januari 2021 geldt een vrijstelling van BPM voor auto’s met een CO2-uitstoot van nihil. Het voorstel is om deze vrijstelling te verlengen tot en met 2024. In 2025 zal het reguliere tarief met de vaste voet van € 360 gaan gelden voor emissieloze auto’s.

Voorgesteld wordt om ook de vrijstelling van de MRB voor de hierboven genoemde auto’s tot en met 2024 te verlengen. In 2025 zal men voor emissieloze auto’s 25% van (het rijksdeel van) de MRB betalen. Vanaf 2026 is de vrijstelling MRB niet meer van toepassing. Voor personenauto’s met een CO2-uitstoot tot 50 gram geldt tot en met 2024 een 50% korting op het reguliere tarief MRB. In 2025 geldt een driekwarttarief. Vanaf 2026 geldt het reguliere tarief.

De huidige correctiefactor voor de massa van Plug-in Hybride elektrische bestelauto’s (PHEV) wordt verlengd tot en met 2025. Deze correctiefactor bestaat vanwege het zwaardere gewicht van de PHEV.

Belastingplan 2020: 5. Btw en ovb

18-09-2019

Laag btw-tarief elektronische uitgaven

Het verlaagd btw-tarief van 9% (percentage 2019) gaat ook gelden voor boeken, educatieve informatie voor het onderwijs, dagbladen, tijdschriften en dergelijke in elektronische vorm. U als ondernemer mag het verlaagde tarief ook toepassen op het verlenen van toegang tot nieuwswebsites zoals die van dagbladen, weekbladen en tijdschriften.

Elektronische uitgaven en nieuwswebsites die uitsluitend of hoofdzakelijk bestaan uit reclamemateriaal, video-inhoud of beluisterbare muziek mogen het verlaagde btw-tarief niet toepassen.

Bewijs intracommunautair vervoer

Het bewijs dat een goed de lidstaat heeft verlaten, is belangrijk voor de toepassing van het nihiltarief voor de btw. Het vereiste aantal bewijsstukken wordt teruggebracht tot twee niet-tegenstrijdige bewijsstukken. Zo worden voor bedrijven moeilijkheden en onzekerheden weggenomen. Bij twee niet-tegenstrijdige bewijsstukken worden de goederen geacht vanuit het grondgebied van de lidstaat van levering te zijn verzonden of vervoerd. Denk aan een ondertekend CMR-document en een door een onafhankelijke derde ondertekend vervoersdocument. De verklaring van de afnemer moet uiterlijk de tiende dag van de maand volgend op de maand waarin de intracommunautaire levering plaatsvond bij de leverancier zijn.

De bewijsstukken moeten afkomstig zijn van twee partijen die onafhankelijk zijn van elkaar.

Juist btw-identificatienummer

Het indienen van een juiste periodieke Opgaaf Intracommunautaire Prestaties (Opgaaf ICP) wordt vereist voor toepassing van het nihiltarief voor de btw. Het vermelden van een juist btw-identificatienummer is nodig voor het indienen van een juiste Opgaaf ICP en wordt dus ook verplicht. Hiermee worden de gevolgen van enkele arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie ongedaan gemaakt. Heeft een ondernemer niet aan de voorwaarden voldaan, dan vervalt de aanspraak op het nihiltarief op de betreffende levering. Herstel is mogelijk als naar het oordeel van de inspecteur alsnog de voorwaarden worden vervuld, bijv. door binnen een bepaalde termijn het juiste btw-identificatienummer van de afnemer te overleggen.

Regeling voor ketentransacties

Het voorgestelde artikel bepaalt aan welke van de opvolgende leveringen in de keten het intracommunautair vervoer of de verzending moet worden toegeschreven. Alleen die levering wordt dan aangemerkt als de intracommunautaire levering. De overige leveringen binnen de keten worden aangemerkt als een binnenlandse levering. De leveringen in de keten vóór de intracommunautaire levering vinden plaats in de lidstaat van aanvang van het intracommunautaire vervoer. De leveringen in de keten na de intracommunautaire levering vinden plaats in de lidstaat waar het intracommunautair vervoer eindigt.

Verhoging ovb voor niet-woningen

Op dit moment is het algemene tarief in de overdrachtsbelasting voor onroerende zaken 6%. Per 1 januari 2021 wordt dit tarief 7%. Niet-woningen zijn bijvoorbeeld bedrijfsgebouwen, bedrijfsruimten, grond die bestemd is voor woningbouw en hotels en pensions. Het tarief voor woningen blijft gehandhaafd op 2%. De verhoging van het algemene tarief gaat in op 1 januari 2021. Met deze maatregel wil het kabinet bij de dekking van het klimaatakkoord de burger ontzien en het bedrijfsleven laten meebetalen.

Belastingplan 2020: 4. Woning

18-09-2019

Wijzigingen tarief verhuurderheffing

Vanwege de vrijstelling tijdelijke woningen stelt het kabinet voor het tarief van de verhuurderheffing (2019: 0,561%) vanaf 1 januari 2024 te verhogen met 0,001 procentpunt. Deze stijging wordt per 1 januari 2037 weer ongedaan gemaakt.

Voordeel nieuwbouwer in schaarstegebied

Als een verhuurder op of na 1 januari 2020 begint met de bouw van een woning in een aangewezen schaarstegebied en deze woning binnen vijf jaar realiseert, kan hij zichzelf verhuurderheffing besparen. Maar dan moet de woning wel een huurprijs hebben onder de laagste aftoppingsgrens in de huurtoeslag (€ 607,46 in 2019). De minimale investeringskosten moeten € 62.500 bedragen. Voldoet de verhuurder aan deze en nog een paar andere voorwaarden, dan bedraagt de heffingsvermindering in principe € 25.000 per woning.

De gehele provincie Utrecht, het oosten van Noord-Brabant, de Betuwe en de Veluwe, een groot deel van het midden en zuiden van Noord-Holland, Leiden en de Bollenstreek zijn in ieder geval aangewezen schaarstegebieden.

Geen verhuurderheffing tijdelijke woning

Voor tijdelijke woningen die men realiseert in de periode 2020 – 2024 gaat onder voorwaarden een vrijstelling van verhuurderheffing gelden. Een woning is in dit verband tijdelijk als de daarvoor te verstrekken omgevingsvergunning verstrijkt na hooguit vijftien jaar. Bovendien moet de vergunninghouder de bestaande toestand tegen die tijd herstellen.

Belastingplan 2020: 3. Internationaal

18-09-2019

Bronbelasting op renten en royalty’s

Tot op heden kent Nederland geen bronheffing op rente- en royaltybetalingen door Nederlandse lichamen (vennootschappen en instellingen) aan buitenlandse lichamen. Dit gaat veranderen. Het kabinet wil een einde maken aan het ongewenst gebruik daarvan. Nederland kent veel belastingverdragen op basis waarvan rente en royalty’s zonder heffing aan een Nederlands lichaam kunnen worden uitbetaald, waarna het Nederlandse lichaam de betalingen zonder inhouding van bronheffing kan doorsluizen naar een lichaam in een belastingparadijs (laagbelastend land). Het kabinet wil per 2021 een bronbelasting op uitgaande rente- en royaltybetalingen naar dergelijke landen invoeren. De bronbelasting gaat ook gelden in diverse misbruiksituaties. Het gaat niet alleen om brievenbusmaatschappijen. Met deze maatregel wordt ook gepoogd om verschuiving van winsten naar laagbelastende landen tegen te gaan. Daarom vallen ook lichamen met echte activiteiten in Nederland eronder en kunnen deze inhoudingsplichtig worden. Wel moet het gaan om gelieerde partijen, partijen die zodanig met elkaar verbonden zijn dat de activiteiten van het ene lichaam door het andere lichaam kunnen worden bepaald. Dat is in ieder geval zo als meer dan 50% van de statutaire stemrechten worden vertegenwoordigd.

Het tarief is even hoog als het hoogste tarief van de vennootschapsbelasting.

De wet treedt in werking per 1 januari 2021. Enkele misbruikbepalingen gaan al gelden vanaf 1 januari 2020.

Nadere invulling begrip vaste inrichting

De aanwezigheid van een vaste inrichting (bijvoorbeeld een filiaal) is een van de aangrijpingspunten voor een staat om tot belastingheffing van een niet in die staat gevestigd lichaam of ondernemer over te gaan. Er bestaan mogelijkheden om de kwalificatie als vaste inrichting kunstmatig te omzeilen. De nieuwe invulling van het begrip vaste inrichting richt zich tegen deze vorm van belastingontwijking. In verdragssituaties wordt in de nationale wetgeving (loonbelasting, inkomstenbelasting en vennootschapsbelasting) verwezen naar de definitie van de vaste inrichting in het specifiek van toepassing zijnde belastingverdrag. Zo wordt voorkomen dat er op basis van de nationale wet geen sprake is van een vaste inrichting, terwijl het heffingsrecht onder een belastingverdrag wel aan Nederland toekomt. In niet-verdragssituaties wordt door opname van de definitie in nationale wetgeving aangesloten bij de meest recente versie van het OESO-modelverdrag en de bijbehorende internationale antimisbruikmaatregelen in het kader van het BEPS-project.

Herziening earningsstrippingsmaatregel

De wetgever stelt voor dat de inspecteur een afgegeven beschikking met betrekking tot het voort te wentelen saldo aan renten kan herzien bij een nieuw feit, kwade trouw of een voor de belastingplichtige redelijkerwijs kenbare fout. Hiervoor zal eenzelfde termijn gaan gelden als voor navordering van te weinig geheven belasting. Daarnaast kan de inspecteur een beschikking afgeven ingeval het voortgewentelde saldo aan renten van een eerder jaar in aftrek komt bij het bepalen van de winst van een jaar. Deze maatregelen dragen bij aan de rechtszekerheid voor belastingplichtigen en het toezicht op de regeling door de Belastingdienst.

Liquidatie- en stakingsverliesregeling

Bedrijven kunnen nu bij de ontbinding van een dochteronderneming of het staken van een bedrijfsactiviteit in het buitenland onbeperkt verliezen aftrekken van hun Nederlandse winst. Voorgesteld is om vanaf 2021 de liquidatie- en stakingsverliesregeling zo aan te passen dat minder vaak een verlies in aftrek kan worden gebracht. Men wil het onmogelijk maken om een liquidatie- en stakingsverlies te nemen op deelnemingen en vaste inrichtingen buiten de EU en de EER en de planbaarheid van het liquidatie- en stakingsverlies te beperken.

Belastingplan 2020: 2. Werkgever

18-09-2019

WKR: vrije ruimte vergroot

Binnen de WKR bedraagt de vrije ruimte voor werkgevers nu 1,2% van het totale fiscale loon van alle werknemers. De vrije ruimte maakt onbelaste vergoedingen en verstrekkingen mogelijk, ook al is er een privévoordeel. Denk bijvoorbeeld aan kantinemaaltijden of kleine bonussen. Ter verruiming van de vrije ruimte wordt een tweeschijvenstelsel voorgesteld. Dit betekent dat over de fiscale loonsom tot en met € 400.000 de vrije ruimte 1,7% van de loonsom gaat bedragen. Over het restant van de loonsom blijft de vrije ruimte 1,2%.

Later aangifte en afdracht eindheffing

Als werkgevers in een bepaald kalenderjaar eindheffing verschuldigd zijn door het overschrijden van de vrije ruimte (in de WKR), moeten zij dit momenteel uiterlijk in de aangifte over het eerste aangiftetijdvak van het volgende kalenderjaar aangeven. Voorgesteld wordt om deze termijn te verlengen naar het tweede aangiftetijdvak. Door de eindheffing uiterlijk met de aangifte over het tweede aangiftetijdvak van het volgende kalenderjaar aan te kunnen geven, krijgen werkgevers meer tijd om de overschrijding vast te stellen.

Waardering producten uit eigen bedrijf

De werkgever moet de waarde van producten uit eigen bedrijf nu bepalen op het door de werkgever aan derden in rekening te brengen bedrag. Dit bedrag hoeft niet gelijk te zijn aan de waarde in het economische verkeer. Om de bepaling van de waarde van het product uit het eigen bedrijf in lijn te brengen met de gerichte vrijstelling van 20% wordt voorgesteld om de waarde van het product uit eigen bedrijf steeds te stellen op de waarde in het economische verkeer.